Archeologie en gemeentelijke gebiedsontwikkeling. De casus Oosterdalfsen

Please download to get full document.

View again

of 8
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.
Similar Documents
Information Report
Category:

Design

Published:

Views: 6 | Pages: 8

Extension: PDF | Download: 0

Share
Description
Eind mei 2015 werd bekend dat in het plangebied Oosterdalfsen van de gemeente Dalfsen een grafveld uit de tijd van de Trechterbekercultuur was gevonden. Het is het grootste uit zijn tijd in West-Europa en daarmee een unicum voor Nederland. De vondst
Tags
Transcript
  20 VITRUVIUS NUMMER 36 JULI 2016 E ind mei 2015 werd bekend dat in het plangebied Oosterdalfsen van de gemeente Dalfsen een grafveld uit de tijd van de Trechterbeker-cultuur was gevonden. 2  Het is het grootste uit zijn tijd in West-Europa en daarmee een unicum voor Nederland. 3 De vondst vormt een archeologische sensatie en heeft terecht veel aandacht getrokken in de media. Als het grootste deel van het grafveld is opge-graven, doet de gemeente bij de provincie en de Minister van OCW een verzoek tot financiële ondersteuning van het onder-zoek. 4  De minister wijst het verzoek af omdat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de zorg voor het bodemarchief. 5  Dit antwoord roept bij het gemeentebestuur 6 en in het archeologische veld onbegrip op. De archeoloog Van Ginkel stelt dat de ver-stoorder moet betalen, “maar zóveel?”. 7  En het betreft hier, zo Van Ginkel, ook nog eens een onverwachte en belangrijke vondst. Omdat de bekostiging van het onderzoek van de vondst publicitair en politiek veel stof deed opwaaien is het goed om nog eens stil te staan bij de vraag of er inderdaad sprake was van een onevenredig zware last voor de gemeente en of er sprake was van een verrassing. Van groter belang is de vraag in hoeverre de casus Dalfsen inzicht geeft in de relatie tussen de vormgeving en bekostiging van archeologisch onderzoek en gemeentelijke gebiedsontwikkeling, nu en – vooral - in de toekomst. Archeologiebeleid in Dalfsen Dalfsen 8  beschikt over een Archeologiebe-leid dat in 2008 door de gemeenteraad werd vastgesteld en sindsdien niet is herzien. 9  Als we het lezen in samenhang met de bijbeho-rende Startnotitie 10  dan valt op dat:(1) er geen sprake is van een inventarisatie en inhoudelijke beschouwing van de aard en potentiële waarde van in de gemeente aanwezige of te verwachten archeologische waarden;(2) er sprake is van een selectieagenda, waarin, met het oog op “minder maat-regelen” en dus minder kosten, op voor-hand, dus zonder nader (voor)onder-zoek, chronologische en thematische keuzes worden gemaakt met betrekking tot wat wel en niet onderzocht hoeft te worden. Vindplaatsen die naar de Kwa-liteitsnorm Nederlandse Archeologie weliswaar behoudenswaardig zijn maar niet vallen binnen de selectieagenda mogen ongezien verloren gaan. 11  Vol-gens de Startnotitie moet “een selec-tieagenda idealiter […] gebaseerd […] zijn op de resultaten van een gemeente overstijgende inventarisatie van archeo-logische kennis met inbreng op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau”. 12 Deze ligt echter niet voor. Selectie op voorhand is onder archeologen om ethische en wetenschappelijke redenen omstreden, 13  en ook onnodig omdat de archeologie beschikt over een algemeen geaccepteerde en in de KNA gecodifi-ceerde waarderingssystematiek. Deze biedt een uitstekende basis voor een beredeneerde selectie;(3) er expliciete aandacht is voor de kos-ten ten laste van de gemeentelijke grondexploitatie als sprake is van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat door de gemeente wordt gedragen. Een berekening van “de afname van de hoeveelheid archeologie” - van iedere hectare die bebouwd wordt, hoeft door een combinatie van factoren maar een klein deel opgegraven te worden - moet duidelijk maken dat voor archeologisch onderzoek gerekend moet worden met ca.  €   5500,- tot 8500,- per hectare. 14 Deze cijfers hebben wellicht beteke-nis voor kleinschalige uitbreidingen in jonge landschappen in het buitengebied van Dalfsen, maar voor de rond de oude kernen gelegen uitbreidingslo-caties, zoals Oosterdalfsen, zijn deze niet geloofwaardig. Het betreft hier de grootschalige overbouwing van gebie- Archeologie en gemeentelijke gebiedsontwikkeling.De casus Oosterdalfsen 1   Prof. Dr. J.G.A. Bazelmans Strategisch adviseur Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 1  - Het plangebied Oosterdalfsen ligt op een lange, oost-west georiënteerde, hooggelegen, door plaggenbodems afgedekte dekzandrug ten noorden van de Vecht. Dit gebied was vanaf het Neolithicum tot en met de vroegmoderne tijd een ideale plek voor bewoning, beakkering en de aanleg van grafvelden.  21 VITRUVIUS NUMMER 36 JULI 2016 den met een lange geschiedenis en dus met een hoge archeologische waarde (zie onder). Van een stapeling van facto-ren die de “archeologie doen afnemen” is geen sprake omdat het open, intacte gebieden betreft waar sprake is van veel, in ruimtelijke zin omvangrijke en door akkerbodems goed geconserveerde archeologie. Een blik op de kosten voor het archeologische onderzoek in het aangrenzende en goed vergelijkbare plangebied Gerner Marke in 2005 had dit duidelijk kunnen maken. Woningen bouwen Het gemeentelijke Archeologiebeleid is relevant voor particuliere initiatiefnemers maar ook voor de gemeente zelf omdat ze op het gebied van de bouw van woningen en de ontwikkeling van industriegebieden een forse ambitie heeft. Leidend voor de gemeente Dalfsen is haar Structuurvisie uit 2010, 15  waarin gerekend wordt met een forse woningbehoefte: 1855 nieuwe wonin-gen voor de periode 2010-2024. In 2011, als duidelijk is dat de bestaande uitleggebieden binnen enkele jaren volledig volgebouwd zullen zijn, wordt bezien waar de bouw van deze woningen gerealiseerd kan wor-den. 16  Daarvoor komen negen gebieden in aanmerking. Acht gebieden vallen om uiteenlopende en goed navolgbare rede-nen af. Slechts één gebied - Oosterdalfsen - wordt wel geschikt geacht voor woning-bouw. Binnen het gebied (dan nog 35 ha) kunnen meer dan zeshonderd woningen worden gerealiseerd. In de verkenning is de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden voor Dalfsen en directe omgeving afgebeeld maar deze speelt geen rol in de afwegingen. De verkenning sluit, onder verwijzing naar het Archeologisch Beleidsplan van de gemeente, af met de constatering dat in de voorbereiding van de overbouwing van Oosterdalfsen rekening dient te worden gehouden met het feit dat de locatie een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. In de Uitgangspuntennotitie Ooster-dalfsen wordt dit inzicht opnieuw benoemd en wordt gesteld dat er “geen ingrepen [kunnen] worden gedaan in de bodem (…) zonder dat er vooraf (voor)onderzoek wordt gedaan”. 17  Wat dat onderzoek dient te behel-zen wordt niet nader gespecificeerd en een ambitie met betrekking tot behoud in situ of tot publieksbereik wordt niet verwoord. Zoals de meeste Nederlandse gemeenten voert de gemeente Dalfsen al jaren een actief grondbeleid. Het gemeentelijk beleid was gericht op het zelf verwerven van grond ten behoeve van nieuwe bedrijventerreinen en woningbouwlocaties. 18  Zo ook in Ooster-dalfsen waar ca. 16 ha in gemeentelijk bezit is. De gemeentelijke grondexploitatie is echter met de crisis van 2008, zoals in veel Nederlandse gemeenten, een zorgenkind geworden. In december 2013 verschijnt een kritisch onderzoek naar de beheersing van de grondexploitatie van de gemeente. 19  De onderzoekers constateren dat er geen sprake is van een zichtbare verwerking van het woningbouwprogramma in de kost-prijscalculaties van de grondexploitatie. Het ontbreken van deze koppeling wreekt zich omdat de werkelijke kavelverkopen in de periode 2009-2013 fors lager waren dan de begrote verkopen. Ook voor 2013 en later spreken de onderzoekers, ondanks een her-ziening van de gemeentelijke exploitatieop-zet, van “planoptimisme”: de verwachting met betrekking tot de jaarlijkse opbreng-sten uit woningverkoop tot en met 2016 lig-gen zeer veel hoger dan wat in eerdere jaren is gerealiseerd. Wanneer de prognoses naar beneden moeten worden bijgesteld – en dat is de verwachting in 2013 - zal dit leiden tot verliezen in de grondexploitatie. Voor Oos-terdalfsen wordt aangeraden het gebied in deelfasen te realiseren om de grondexploi-tatie beheersbaar te houden en te kunnen inspelen op economische ontwikkelingen. 20  Fasering kan echter op haar beurt tot finan-ciële problemen leiden omdat kosten van voorbereiding, toezicht en rentekosten wor-den toegevoegd aan de waarde van de grond. Als deze gronden later of niet worden ont-wikkeld leidt dit tot een te hoge waardering van de gronden. Het kan zijn dat ze tegen een lagere prijs verkocht moeten worden en dan treedt er verlies op. Het onderzoek naar de Dalfser grondexploi-tatie en een gelijktijdig onderzoek naar de verkoop van woningen – het gemeentelijk woningbeleid sluit maar gedeeltelijk aan op de vraag - hebben geleid tot verschil-lende maatregelen en de introductie van de Meerjaren Prognose Gebiedsontwikkeling (MPG). Uit de tweede prognose 2015 21  is op te maken dat: (1) op basis van een hertaxatie van de gron-den van Oosterdalfsen besloten moest worden tot een afwaardering van in totaal  € 1,43 miljoen. De boekwaarde van Oosterdalfsen is daarmee uitgeko-men op  € 5,3 miljoen (  € 33 per m2). 22 ; (2) in 2014 sprake was van een cumulatief negatief resultaat voor de Dalfser grond-exploitatie van  € 2,1 miljoen. Daarmee ontstond een tekort van bijna 9 ton op de wettelijk benodigde reserve van het grondbedrijf. Dit tekort is aangezuiverd vanuit de Algemene reserve van de gemeente. De gang van zaken rond het gemeentelijke grondbeleid heeft logischerwijs ingrijpende gevolgen voor Oosterdalfsen. De plannen en de begroting voor de ontwikkeling van het gebied komen onder een vergrootglas te liggen. Het is logisch dat de gemeente ook de vinger aan de pols houdt als het om de kosten van het archeologisch onderzoek gaat. Een onverwachte vondst? Het archeologisch onderzoek in het uitbrei-dingsgebied Oosterdalfsen krijgt in 2011 tot en met 2015 vorm conform de procestappen zoals geformuleerd in het gemeentelijke Tabel 1 - Oosterdalfsen. Berekening gemeentelijke inkomsten bij volledige uitgifte van kavels 63 SoortAantalvolgens plankaart en bestemmings-planKavel (in m2)X keer opp(in m 2 )Prijs per m 2  (in €)Totaal(in €)Woon-werk11 (0)118813068 (0)2202874960(0)2 onder één kap92 (94)40036800 (37600)2037470400(7632800)Vrijstaand26 (29)70018200(20300)2454459000(4973500)Rij121 (107)19022900(20330)1824218760(3700060)Totaal250 (230)91058(78230)19023120(16306360)  22 VITRUVIUS NUMMER 36 JULI 2016 Archeologiebeleid en wat gebruikelijk is binnen de Nederlandse archeologie. 23  Het eerste onderzoek betreft een combinatie van een bureauonderzoek en een verken-nend booronderzoek. 24  Het onderzoek is goed onderbouwd en navolgbaar. Volgens de onderzoekers is slechts een klein deel van het plangebied verstoord en kunnen “binnen het overige deel van het plange-bied […] sporen van menselijke activiteit verwacht worden vanaf het Mesolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen. [...] Gezien de dichtheid van de bewoning en de resultaten van het archeologisch onderzoek in de omgeving, is de archeologische ver-wachting hoog tot zeer hoog”. 25  Volgens het rapport vragen vooral vier hoge, goed door plaggenbodems afgedekte kerngebieden de aandacht 26  maar vanuit “een landschapsge-richte benadering is de verkenning van [de] tussenliggende gebieden vanwege moge-lijke off-site sporen noodzakelijk”.In de tweede stap wordt met een inventari-serend veldonderzoek aan deze landschaps-gerichte benadering vorm gegeven. In juni 2012 worden over het hele gebied 131 kleine proefsleuven aangelegd. 27  Hiermee wordt een dekking bereikt van iets meer dan 4%. 28  Dat is aan de lage kant. 29  Het onderzoek leidt echter tot heldere en aansprekende resultaten. Binnen het plangebied bevin-den zich zes vindplaatsen waarvan vijf in het meest noordelijke deel (deelgebied 5). De vindplaatsen, veelal de resten van boe-renerven en grafvelden, stammen uit ver-schillende perioden van het Neolithicum tot en met de Moderne tijd. Op basis van hun fysieke en inhoudelijke kwaliteit zijn ze ‘behoudenswaardig’. De vindplaatsen binnen deelgebied 5 liggen op een lange met akkerbodems afgedekte, archeologi-sche rijke dekzandrug ten noorden van het Vechtdal. Ze sluiten direct aan op de meer westelijk gelegen en goed onderzochte resten in het plangebied Gerner Marke. Hoewel binnen het deelgebied 5 op basis van de sporendichtheid vijf verschillende vindplaatsen te onderscheiden zijn (opge-teld ca. 3,4 ha 30 ) stellen de onderzoekers voor ze samen als één vindplaats (van ca. 6 à 7 ha) te beschouwen omdat het onderzoek van “enkel die plekken […] waar de meeste sporen zijn aangetroffen, veelal nederzet-tingssporen, […] allerminst een compleet beeld [oplevert] […] van de bewonings- en landschapsontwikkeling van het gebied door de tijd heen” 31  De vindplaatsen binnen deelgebied 5 vormen dus één geheel en heb-ben samen een hoge ensemblewaarde, juist ook in relatie tot de opgegraven vindplaat-sen binnen de Gerner Marke. 32  Ze vormen samen de getuigenis van één doorlopende, millennia-lange geschiedenis van de eerste landbouwers tot en met de boeren die nu nog leven aan de rand van het essengebied. 33  Binnen vindplaats 2 in deelgebied 5 is niet alleen een crematiegrafveld uit de midden en late Bronstijd gevonden maar is ook een “zeer bijzondere” vondst gedaan “die het terrein van bovenregionaal of zelfs landelijk belang” maakt 34 : één of twee graven van de Trechterbekercultuur. Volgende de onder-zoekers is “[d]e omvang en de begrenzing van de grafvelden uit het Neolithicum en de Bronstijd […] uit het proefsleuvenon-derzoek niet duidelijk geworden. Daarom verdient het aanbeveling om een eventueel vervolgonderzoek op deze locatie te starten met een tactisch en beperkt aantal waarde- 2  - Al tijdens het gravend vooronderzoek in 2012 bleek dat zich in het plan-gebied Oosterdalfsen zeer rijke, uiteenlopende en goed geconserveerde archeologische resten bevinden (Historische Kring Dalfsen 2015, 1792). 3  - In het voorjaar van 2015 werd in Dalfsen een grafveld ontdekt van de Trechterbekercultuur. De bekostiging van het onderzoek van de zeer bij-zondere vondst deed veel publicitair en politiek stof opwaaien (foto José Schreurs, RCE) .  23 VITRUVIUS NUMMER 36 JULI 2016 rende sleuven om de vindplaatsen beter te kunnen begrenzen en om tot een nadere detaillering van de verspreiding van de sporen en de vondsten te komen”. 35  Tus-sen de proefsleuf met de twee graven en de andere proefsleuven ligt een niet verkend gebied van minstens ca 3000 m2. 36  Dit advies wordt niet opgevolgd. Ook wordt niet gekozen voor de mogelijkheid dit aan-vullende onderzoek direct tijdens het ver-kennende onderzoek plaats te laten vinden. In het rapport wordt duidelijk gemaakt dat rekening gehouden moet worden met een grafveld van de Trechterbekercultuur van waarschijnlijk 5 tot 8 graven en maximaal 25 graven, het grootste aantal dat tot op dat moment bekend was. Tevens geeft het rap-port duidelijke aanwijzingen voor de inzet van een reeks van meer en minder gang-bare natuurwetenschappelijke methoden en technieken die het mogelijk maken het kennispotentieel van dergelijke graven te realiseren. 37 De resultaten van het inventariserend veld-onderzoek lagen ten grondslag aan de derde stap in het proces, de besluitvorming over de omgang met de aangetroffen archeo-logische resten. In een advies 38  worden drie selectiemogelijkheden (“scenario’s”) voorgelegd. In geen van de scenario’s is, zo blijkt impliciet, ruimte voor behoud in situ. De drie scenario’s betreffen het opgraven van: (1) alle vindplaatsen; (2) de vijf vindplaatsen binnen deelgebied 5; of (3) vindplaats 2 (met de twee grafvelden) binnen deelgebied 5. De kosten van deze scenario’s lopen uiteen van minimaal ca.  € 76.000,- tot maximaal ca.  € 660.000,-. De drie scenario’s worden gerechtvaardigd door respectievelijk een streven naar óf (1) volledigheid; óf (2) het realiseren van de ensemblewaarde óf (3) het documenteren van het bijzondere. Geadviseerd wordt te kiezen voor scenario 3 en een deel van de gedeselecteerde vindplaatsen onder super-visie van een archeologisch bedrijf door HBO-ers te laten documenteren. De argu-mentatie is beknopt en gebaseerd op wel-licht te positieve uitspraken over de stand van kennis van de bewoningsgeschiedenis van het Vechtdal. 39  Ook is er geen verwij-zing naar het selectiebeleid zoals vastgelegd in het gemeentelijke Archeologiebeleid. De in het beleid benoemde thema’s “markant landschap en het gebruik en de inrichting daarvan” en “productief verleden” zouden geleid hebben tot een keuze voor scenario 1 of 2. De de-selectie in het Archeologie-beleid van het Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd staat juist de keuze voor scenario 3 in de weg. In eerste instantie wordt elk scenario door BenW van Dalfsen afgewezen. In een over-leg tussen BenW, de betrokken ambtenaren en de adviseur wordt besloten “dat er geen nader onderzoek plaatsvindt naar aanlei-ding van het proefsleuven -en karterend bodemonderzoek. Het college van BenW heeft verschillende (ruimtelijke) belangen gewogen en vindt nader onderzoek niet nodig”. 40  Op 26 augustus 2014 herziet BenW zijn beslissing en kiest ze voor sce-nario 3. 41  Dit scenario wordt vertaald in een bestek voor een opgraving. 42  Dit bestek stelt de opdrachtnemer voor problemen omdat het tegenstrijdige eisen lijkt te bevat-ten. Enerzijds wordt een redelijk uitvoe-rige beschrijving van de regionale en lokale archeologische en cultuurlandschappelijke context gegeven op basis waarvan gesteld wordt dat het onderzoek in Oosterdalfsen “de mogelijkheid [biedt] om een oud cul-tuurlandschap zowel op hoofdlijnen als in detail in kaart te brengen”. 43  Een lange lijst met onderzoeksvragen en methodisch-technische eisen lijkt hier invulling aan te geven. 44  Deze invalshoek zou ook goed aansluiten bij de thema’s uit het Dalfser Archeologiebeleid, maar het stuk bevat geen verwijzing hiernaar. Anderzijds wordt echter gesteld dat “ingezet [wordt] op een onderzoek op hoofdlijnen”, “volstaan [zal] worden met een extensieve onderzoeks-methodiek” 45  en “het merendeel van de gereserveerde m2 [wordt ingezet]” voor vindplaats 2. 46  Belangrijk voor de offerte zijn de “te verwachten aantallen archeolo-gische vondsten” die in het bestek worden genoemd. Hoewel het volgens het bestek om een hoge verwachting gaat, zijn vrijwel alle getallen, zoals uit een gewogen vergelij-king met de opgraving Gerner Marke blijkt, aan de (zeer) lage kant.Uit een raadsstuk van 12 mei 2015 blijkt dat de opgraving van ca. 26.500 m2 gegund is voor  € 145.000,-. 47  Dat betekent dat de opgravende partij het werk voor  € 4,50 per m2 heeft aangenomen. 48  Dat is minder dan één zesde deel van het bedrag dat in de startnotitie van 2008 voor het gemeentelijk archeologiebeleid werd genoemd en de helft van de m2-prijs waar in het selectiebesluit van 2012 rekening mee werd gehouden. Het valt ook buiten het bereik dat in 2010 door de SIKB werd gepubliceerd voor opgra-vingskosten:  € 8,- tot 40,- per m2. 49 Tot slot wordt de vierde stap gezet: de opgraving. Deze zou niet zes maar uitein-delijk tien weken omvatten, en niet 27.000 maar 33.000 m2 beslaan. Ze kon alleen tot een succesvolle afronding komen door de grootschalige inzet van studenten en ama-teurs. Hoewel de opgravers zich dienden te concentreren op vindplaats 2 wisten zij de veel grotere rijkdom van een groter gebied te documenteren. Excessieve kosten? Als het gaat om de absolute kosten in ter-men van draagkracht en maatschappelijke aanvaardbaarheid bevinden we ons met het ontbreken van kengetallen en normen op glad ijs. In een poging kunnen twee extre-men bekeken worden. De door de gemeente gekozen variant kan gezien worden als minimumvariant en het opgraven van ca. 5 à 6 ha als maximumvariant. De eerste kost ca.  € 200.000.- 50 ; de laatste ca.  € 600.000,-. Sinds 2007 is het gebruikelijk om de kosten voor archeologisch onderzoek in gemeen-telijke gebiedsontwikkeling volledig te verwerken in de grondexploitatie, ook in Dalfsen. Probleem is echter dat we voor de uitbreidingslocatie Oosterdalfsen niet kunnen beschikken over een exploitatie-plan. 51  We kunnen ons van de omvang van de exploitatiebegroting echter wel een idee vormen op basis van het aantal te bouwen huizen, de huistypen en hun getalsmatige verdeling, de perceelsomvang per type en de type-afhankelijke verkoopprijs van kavels. Als de gemeente de uitgave van kavels vol-ledig realiseert, vormen de inkomsten ca  € 17 tot 19 miljoen (zie tabel 1). Dit bete-kent dat de kosten voor archeologisch onderzoek uiteenlopen van ca. 1 tot 3,4% van de exploitatiekosten. 52  Is dat veel? Bekend is dat de gestapelde kosten voor bodem-, grondmechanisch, akoestisch, milieukundig, archeologisch, cultuurhistorisch en ander onderzoek gemiddeld ca. 1,6% uitmaken van de exploi-tatiekosten, maar dat deze van plan tot plan sterk kunnen variëren: van nihil tot meer dan 30%, met een gemiddelde van 1,58%. 53 Over het (gemiddelde) aandeel van archeo-logische onderzoekskosten is in Nederland publiek weinig bekend. In de gemeente-lijke startnotitie wordt rekening gehouden met een aandeel van tussen 1 à 1,5 procent (ruraal gebied), 2% (gebieden met hoge archeologische verwachting) en 6% (voor  24 VITRUVIUS NUMMER 36 JULI 2016 archeologische monumenten). 54  Tijdens de evaluatie van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is van 19 exploitatieplan-nen achterhaald welk aandeel ‘onderzoek’ betrof: dit liep uiteen van 0,012 tot 11,8%. Van slechts drie gevallen kon het aandeel ‘archeologisch onderzoek’ worden bepaald: dit liep uiteen van 0,6 tot 3,9%. 55  Er kan tot slot ook gekeken worden naar de kosten per woning: die bedragen in Oosterdalf-sen tussen  € 800,- (bij 250 woningen en  € 200.000,- archeologische kosten) en  € 2608,- (bij 230 woningen en  € 600.000,- archeologische kosten). In een recent rap-port wordt een “zeer globale indicatie” gegeven van de archeologische kosten per woning:  € 550,- tot  € 800,-. “Bij grote loca-ties met grotere archeologische opgravin-gen kunnen de kosten zelfs in de miljoenen lopen, tot  €  2.000,- à  €  5.000,- per woning”. 56  De door de gemeente beoogde opgraving à  € 145.000,- ligt voor een dergelijk archeolo-gisch rijk gebied aan het onderste einde van het spectrum; een grotere investering tot  € 600.000,- legt weliswaar een fors maar daarentegen (naar de normen van voor de crisis) geen uitzonderlijk groot beslag op het exploitatiebudget. Van sommige gemeenten is aantoonbaar dat ze een dergelijke last in vergelijkbare gevallen hebben gedragen. 57 Conclusie Bovenstaande beschouwing had het oog-merk de vraag te beantwoorden of er sprake was van een onevenredig zware last voor de gemeente en of er sprake was van een verrassing. Leidraad in de beschrijving en beoordeling vormde het gemeentelijke archeologiebeleid en het planvormingspro-ces. Voor een goed begrip van het laatste is gekeken naar de wijze waarop verschillende partijen hun rol hebben vervuld. Op basis van het bovenstaande kan met betrekking tot kosten, voorspelbaarheid en rolvervul-ling het volgende worden geconcludeerd:(1) De gemeente heeft vanaf de introductie van de nieuwe wetgeving op het gebied van de archeologische monumentenzorg in 2007 beleidsmatige aandacht voor de archeologie. In diverse beleidsstukken ligt de nadruk echter op procedures en niet op ambitie(s). Daarom is niet duidelijk wat de gemeente wil bereiken op het gebied van behoud in situ, ken-niswinst of publieksbereik en –partici-patie. Het ontbreekt voor burger, raad of provincie daarom aan afrekenbare doelen. De stukken geven de indruk dat behoud in situ niet als optie werd gezien (hoewel delen van het oorspron-kelijke plangebied buiten exploitatie zijn gebracht), dat inhoudelijke keuzen wisselden en vooral, begrijpelijk in het licht van de problemen met de gemeen-telijke grondexploitatie, door financiële overwegingen werden ingegeven en dat het Dalfser publiek pas in beeld kwam bij de vondst van de spectaculaire graf-vondsten uit het Neolithicum. (2) Het is de bedoeling van de wetgever dat archeologische verplichtingen in een bestemmingsplan worden vastgelegd. In een ontwikkelingsgericht bestemmings-plan zoals dat van Oosterdalfsen is ech-ter te zien dat archeologie als een opgave kan worden beschouwd die vóór de vast-stelling van het bestemmingsplan moet worden afgerond. 58  Daarmee ontstaat druk op de uitvoering van archeolo-gisch onderzoek, terwijl de betreffende kavels, zoals in Oosterdalfsen, nog lange tijd na de vaststelling van het bestem-mingsplan voor onderzoek beschikbaar (kunnen) zijn. Belangrijker is echter dat in deze aanpak de besluitvorming over archeologie – buiten de vaststelling van het uitgangspuntenplan en van de exploitatie - vooral of vrijwel uitsluitend ligt bij het ambtelijk apparaat en BenW. In Dalfsen kwam de gemeenteraad bij-voorbeeld pas in beeld toen extra bud-get gevraagd moest worden buiten de exploitatiebegroting om.(3) Vanaf het begin was op basis van vond-sten en opgravingen in de buurt en ken-nis over de bewoningsgeschiedenis van het Vechtdal duidelijk dat Oosterdalf-sen in een archeologisch zeer rijk gebied ligt. Dat werd bevestigd in het bureau-onderzoek, het inventariserend veldon-derzoek en uiteindelijk de definitieve opgraving. Feitelijk hadden de alarm-bellen moeten rinkelen bij aanvang van het project en zeker na afloop van het verkennende, gravende onderzoek. Als het gaat om de grafvelden is het lastig te begrijpen dat laatstgenoemd onder-zoek niet is uitgebreid om beter greep te krijgen op aard en omvang ervan. Door verschillende professionele partijen was in die zin geadviseerd.(4) Voor de gemeente behoorden de kos-ten voor archeologie volgens het eigen Archeologiebeleid tot de gemeentelijke grondexploitatie van het gebied. Daarbij worden echter uiteenlopende en veelal te florissante kengetallen voor kosten en “de afname van de hoeveelheid archeo-logie” gebruikt, zowel in algemene zin als voor archeologisch rijke gebieden zoals Oosterdalfsen. Al enkele jaren geleden werd duidelijk dat de exploita-tie van Oosterdalfsen – en daarmee het 215250 215300         5        0        3        4        5        0        5        0        3        5        0        0 25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m25m0000000000000000000000000000000000000000000000000  Huisplattegrond Grafkuil Aardwerk 4  - Het grafveld van de Trechterbekercultuur is ongeveer 120 bij 30 m. groot en omvat 137 inhumatiegraven en enkele crematiegraven. Het gebruik ervan is te dateren tussen ca 2900 en 2700 voor Chr. (Van der Velde en Bouwma 2016, 359, afb. 75.1).
Recommended
View more...
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks
SAVE OUR EARTH

We need your sign to support Project to invent "SMART AND CONTROLLABLE REFLECTIVE BALLOONS" to cover the Sun and Save Our Earth.

More details...

Sign Now!

We are very appreciated for your Prompt Action!

x